GET YOURSELF AN EDUCATION

Ik train mijn spieren
Om jou nooit bij mij vandaan te duwen

School #3868552352

 Het is rustig aan de Amstel. Soms vaart een boot voorbij. Willem Alexander, Nelson Mandela, John F. Kennedy. Hoe lang mensen boten al namen geven weet ik niet. Een gekke gewoonte, de dingen gaan er niet van leven. Vanaf het houten bankje dat rechts naast te boom staat kijk ik naar de grote man met het kale hoofd, die zijn boot aan de kade bindt. Sjaak. Ik herinner mij niet dat ik hem niet kende.
‘Ben, jongen. Geniet je van de zon?’
De boot van Sjaak heet ‘Het Genot’. Zijn voordek bestaat uit lichtbruin houten planken, de stoelen zijn van zeegroen met wit leer, het stuur lijkt van glanzend zilver te zijn gemaakt.
‘Het is mooi weer ja,’ zeg ik.
Sjaak stroopt zijn mouwen op en gaat door zijn knieën op zoek naar zijn tweede koord. ‘En godse druk. Allemaal van die nozems met halvegare roeiboten en opgevoerde sloepen. Niet om uit te houden. Ik ben daar echt te oud voor.’ Hij gooit zijn tweede touw de kade op. ‘Help deze oude vent eens.’
Ik trek mijn schoenen aan en wandel naar het touw en bind het koord om mijn polsen. Het hennep snijdt gemoedelijk in mijn huid. De kleine jacht deint op het water dat klotsende geluiden maakt. Bij elke golf trekt het om vervolgens los te laten. Het genot trekt aan mij.
‘Waar is Frederik,’ vraagt Sjaak.
‘Binnen, met Peter en Anne.’
‘Is Peter nog met z’n meissie?’
‘Sophie?’
‘Ja, die ja.’
‘Ze wonen nu samen.’
‘Waar?’
‘Oost.’
‘Zo zo. Lang al?’
‘Een jaar, zoiets.’
Vanaf de boot steekt Sjaak me zijn verweerde hand toe. Zijn huid is ouder geworden. De aderen duwen door het vel heen. Ik omsluit zijn oud met mijn nieuw dat te verslijten staat, druk mijn lichaam achterover richting de klinkers en trek hem de stenen op.
‘En jij,’ zegt hij.
Ik draai mijn rug naar het water en kijk door het raam bij mijn ouderlijk huis naar binnen. Peter drinkt koffie en luistert naar Frederik die met veel gebaren iets uitlegt wat ik niet hoor. Anna houdt haar hoofd gebogen, naar de vloer. Sjaak stoot een elleboog in mijn zij. Het steekt een klein moment. ‘Heb jij een meisje?’
‘Nee,’ zeg ik. ‘Dat lukt mij nooit zo goed.’

Volg mij (LisaWeeda) op Twitter

IK BEN SOMS IN HET KORT BEST GRAPPIG. 

IK MEEN HET.

Bijna ving ik een kikker
Ik voelde het reptiel
Langs mijn huid verdwijnen
Over mijn handpalmen, vingers, polsen
Het gras in glijden

Ik rende nog een stukje
Het schemerdonker in
Verderop speelden tweeëntwintig mannen voetbal
Op een witverlicht groen veld

We plukten boterbloemen
Trokken ze tussen de halmen weg
En stopten ze op jouw kotje
In een halfvormige mok met water

Vorig leven - 1

  1. Je hebt nog met je moeder geknikkerd. Dat weet je niet meer, maar dat is echt zo hoor. Kijk. Het gaat als volgt. Je zat daar dus te knikkeren en je was on a roll, je zou bijna de grootste bonker van haar winnen. Hij was zilverwit, met van die gekleurde spikkels er in. Rood. Blauw. Je legde je duim tegen de onderkant van die bonker, klaar om uit te halen met dat kleine handje van je. En toen, toen werd je geschept, door de enige auto uit de straat. De enige auto die er toen reed. Pure pech.

Papa

Er is een avond dat mijn vader twee maal wordt aangehouden door de politie. De eerste keer omdat hij beschonken op zijn fiets zit. En een tweede keer, omdat dezelfde agenten die hem geboden hebben van zijn fiets te stappen en lopend zijn reis naar huis voort te zetten, hem weer tegenkomen. Fietsend. Of hij een boete krijgt, weet ik niet.

Er is een foto, waarop ik leer fietsen. Ik draag een helm; in Duitsland moet je zo’n ding dragen tot je dertien jaar oud bent. De mijne is zwart met neonkleurige vegen er op. Zolang ik het op mijn hoofd heb kan er weinig mis gaan. Aan mijn bagagedrager is een vlaggetje bevestigd. Wanneer ik fiets, gaat het ding hevig van links naar rechts, soms draait het rondjes. Dan gaat het rijden niet zo soepel. In de doodlopende straat fiets ik op en neer, rent mijn vader achter mij aan met zijn rechterhand tegen mijn rug. Soms zwenk ik naar rechts, om daarna een ruk aan het stuur te geven en dan weer even rechtdoor te rijden. Mijn fiets is rood met zwarte stippen. Een lieveheerstbeesfiets.

I would like to buy a camper with my loved one and travel around for a long, long time.

Het bed, de kasten en het bureau heb ik naar het raam geschoven, opgestapeld tot er bijna geen licht meer naar binnen komt. Langzaam loop ik. Van muur naar muur. Stoppen doe ik niet, ik wandel als een ijsberend persoon zonder einde en buig mijn hoofd niet, maar laat mijn neus, voet of vingers het kalk raken. De muur geeft een dof geluid, wanneer ik het met mijn lijf raak. Ik geef alles vijf minuten. ‘Tweehonderzeventig, tweehondereenenzeventig, tweehonderdtweeenzeventig.’ Na vijf minuten lopen, rol ik mijn rechtop staande lichaam over drie muren. Met mijn voeten draai ik op hoog tempo om mijn as. Met mijn voorhoofd, mijn slapen en mijn achterhoofd zet ik mij af. Bij de honderdvijftigste tel hoor ik mijn oren bonken. Bij driehonderd druk ik mijn rug tegen de muur, zet mij af, doe mijn ogen dicht en ren naar de overkant.

De film Noche vertelt het verhaal van een jongen die van alles wat hij doet het geluid opneemt; in de metro in Berlijn zitten, op weg zijn naar een feest, daar binnen gaan, drinken en met iemand zoenen, seks hebben in een bos, modder op zijn gezicht smeren in de bedding van een rivier, door het graan lopen. Aan het einde van de tape huilt hij. Buiten op de hacienda waar hij woont hoor je de koeien loeien en honden blaffen. En je hoort de nacht, de aarde, de lucht. Zijn ademhaling is stevig. Dan hoor je ijzer. De jongen legt een loop tegen zijn tanden. En haalt over.

Ik heb een glazen hart gekocht
Of je er ook eens doorheen zou willen kijken

De eerste keer dat ik haar huis betrad, viel zij als een golf over mij heen. Alsof haar leven een deken om mijn onaffe gestalte wikkelde. Een deken van duizenden losse stukken stof, die ik zelf nog aan elkaar moest naaien.

Lisa Weeda, 2012
A Dutch love letter

A Dutch love letter