Lisa Weeda

We zoenen altijd uit de maat

Shura - Touch

De zaal dreunt. Muziek die ik in tijden niet gehoord heb. Muziek die ik vergeten was. Soorten mensen die ik al jaren niet meer tegen het lijf gelopen ben. Een verlopen houten vloer, die naar bier ruikt. Naar festivals, waar ik voor het eerst alleen naar een optreden ging. De ruimte neemt veranderende vormen aan. Stuurt me van de bar naar een nieuwe hoek die ik nog niet had gezien. Ergens is een opstootje. Mannen in donkerblauwe jassen trekken kaalgeschoren jongens uit elkaar. Dezelfde jongens die twintig minuten geleden hun meisjes trots de lucht in tilden. Hun handen zes bierglazen groot. Ik kijk en kijk, bekijk en staar. Probeer niets te missen, alles te onthouden. Maar de glazen blijven komen en zij loopt er steeds tussen door, staat nergens specifiek, maar er midden in. Marcheert mooi door dit vertrapte beeld. Een bad verwelkte bloemen. Pokon. Ze geeft geen licht, maar neemt me weg. Wanneer ik haar hand aanraak weet ik, zij zal niet lang een zij meer zijn, zij zal een jij worden. Een ochtendkompaan. Een koffiedeler. Een naakt genot. Na genot na genot. Een klap in mijn gezicht en een schreeuw in de zoveelste nacht. Een onvoorspelbaar ding waar ik geen kut van begrijp. Zij zal dat zijn.

Lisa Weeda (2014) TM

The Intermission Project

—From Me To You (demo)

I hope the world is working out for you.

I’m under water in my dreams.

—Mac Miller

Op een verjaardagsfeest vertelt een jongen mij dat hij niet danst, omdat buitenlanders vaak zeggen dat wij Hollanders niet kunnen dansen.
‘Ik kijk liever’, zegt hij.

Aan de telefoon spreek ik een vrouw die zich laat inspireren door een radiouitzending. ‘Dat van die film is mij ook overkomen.’
Iets over slachtofferhulp, drie jaar lang vuurwerk tegen de ruiten. Eigenlijk de eenzaamheid van een oude vrouw. Ze vergelijkt zichzelf met een zuster die onterecht tot moord en tbs veroordeeld werd.

Vanaf het terras van een penthouse kijk ik naar ‘de Rotterdam’ van Koolhaas. Ik heb koffie over mijn broek gegooid. De gastvrouw vraagt of ik een doekje wil. ‘No thank you.’ Het uitzicht is te absurd wil ik zeggen. ‘We will be paying mortgage for twenty years on’, zegt ze later en wijst vanachter een vier meter breed raam richting de Erasmusbrug. ‘We are lucky I guess.’

Een eerlijk mens mag een hart stelen

In het huis dat aan het einde van de oprijlaan staat, ligt een opgebaarde vrouw in een van de kamers.
Een Jack Russel blaft in de hal, hij springt heen en weer op de bruine tegels. Gelijkvloers leven. Bungalowhuizen hebben iets angstvalligs, guurs. Een huis zonder puntdak zou geen huis mogen zijn, als er niet meer dan drie verdiepingen in te vinden zijn. Huizen zonder een degelijk dak zijn als cadeaus zonder papier.
'Ik wacht wel buiten,' zeg ik.

Achter mij ligt het ven. De bladeren bedekken de weg er naar toe, zoals ze alle wegen hier bedekken. Versgevallen. Op het pad liggen afgebroken takken met twijgen die breken wanneer je er op stapt. Morgen gaat het stormen. Ik neem plaats op het houten bankje en kijk het soms ribbelende oppervlak over. Aan de rand van de oever, waar twee langwerpige stoeptegels het water insteken, ligt een witte roeiboot op z’n kop op het gras. Buik naar boven. Twee houten spanen ernaast. Een aalscholver komt vanaf de hertenwei aanvliegen en strijkt neer naast het riet. Alsof hij de baas van het ven is, kijkt hij rond. Rustig, alert, borst naar voren. Tot nog toe heb ik aalscholvers alleen aan zee gezien. Hier waait het anders. De lucht zingt minder. Geen zand in de ogen, maar takken op je hoofd, vochtige bladeren tegen je handen. Hier schuurt het minder. De aalscholver duikt onder. Een aantal seconden is het canvas leeg, zijn er alleen kringen op het water te zien. Dan komt hij boven met een vis in de bek. Het dier beweegt zijn staart heen en weer, maar echt worstelen doet het niet. In één keer slokt de vogel de vis op.
'Hij leeft nog,' zeg ik tegen het geverniste hout en wijs.
Hoe lang blijft die vis leven in die maag? Moby Dick, Pinokkio, hoe ging dat precies?
De vogel vliegt naar de kant en strekt zijn vleugels uit, schikt zijn veren, strekt zich uit, spant zich, blijft staan. Vleugels in de lucht aan weerszijden van zijn lijf. Een overwinning, of een moeilijke vertering.

Achter me breekt een tak onder de bladeren. Ik draai me om en maak een korte groet met mijn rechterhand. Je lijkt klein, zo voor dat platte uitgesmeerde huis. Je blonde haren in de blonde knot, je zwarte halflange jas.
'Ik heb al een rondje gevaren,' zeg ik en wijs naar de roeiboot. Een moment lach je. Ik sta op van het bankje en sla een arm om je heen. 'Ik zag een aalscholver. Hij ving een hele grote vis en at hem in één hap op. Dat beest was nog helemaal niet dood.'


Lisa Weeda - 2013

Crisis

X: Weinig te zoeken heb ik hier.
Weinig.

Y: Maar u heeft al betaald meneer.
X: Ach dat geeft niet.
Y: Maar het is crisis meneer.
X: Ach jongeman, met je meneer meneer. Dat is toch maar een nummertje gekoppeld aan een pasje aan een naampje aan een identiteit aan een individu.
Y: Het is de grootste suite meneer.
X: Als er niet geretourneerd wordt, moet je het wel goed doen, jongeman.
Drie kamers. Vier banken. Vijf televisies.
Y: Zes televisies.
X: Zes televisies?
Y: Welke heeft u al gezien?
X: In de woonkamer. Slaapkamer, andere slaapkamer, keuken – vertel mij eens, waarom een keuken? Lopen jullie dan geen geld mis?
Bij hoeveel televisies was ik?
Y: Drie meneer.
X: Ah ja.

Y: En zoals ik al zei: het is crisis meneer. Soms willen mensen zelf     koken.
X: Drie televisies. Dan was er nog die bij de jacuzzi en die kleine televisie met de AEX index.
Y: Ah!

X: Vijf is dat toch?
Y: U bent die in de badkamer vergeten. In de spiegel.
X: Hoe kan ik dan in de spiegel kijken?

(Lisa Weeda - 2014)

Ze haakt haar armen om
de lijnen op het wit
rijgt zwart het leven in
vraagt zich nooit af
hoeveel hoofdstukken nog
draagt bedachte dingen op handen

Lisa Weeda

Als er dan nu eens iemand is, die je souffleert wanneer je op het punt staat achterlijke dingen te doen.

Een soort moeder, mekkerend - en dan niet over de afwas, maar stupide handelingen.