lisaweeda1989 [at] gmail.com
Install Theme

RAC <3

Alle gekken vallen op een gegeven moment van de rand af. Tuimelen zacht door een glazen wand zonder daarna te zien dat ze aan de andere kant van het glas terecht gekomen zijn.

The human brain loves soliloquy. Even when speaking with others—and especially when alone—we continually talk to ourselves in our heads. Such speech does not require the bellows in the chest, quivering flaps of tissue in the throat or a nimble tongue; it does not need to disturb even one hair cell in our ears, nor a single particle of air. We can speak to ourselves without making a sound. Stick your head out that same window above the crowded street and you will hear nothing of what people are saying to themselves privately. All that inner dialogue remains submerged beneath the ocean of human speech, like a novel written in invisible ink behind the text of another book.

— Ferris Jabr

In de nacht steek ik mijn handen op naar het plafond waaronder ik niet ben opgegroeid.
Sla mijn armen gekruist terug over mijn hoofd en besluit: ‘niets is een thuis, mensen hebben dat bedacht’.

Het schijnt een plek te zijn waar je hart ligt, maar dat heb je, als je het letterlijk neemt, altijd bij je. Als ik op mijn zij lig en mijn lichaam tegen het matras druk voel ik het kloppen. Met mijn hoofd tegen het kussen kan ik het horen.

#stiftdicht

#stiftdicht

Ik vernam dat je tegen een dove niet kan liegen en wenste een moment zonder gehoor geboren te zijn. Stopte mijn vingers in mijn oren. Tilde mijn ellebogen opzij, maakte ruimte voor wat ik alleen aanraken kon. Voor de spiegel keek ik mijzelf aan, probeerde schaamrood te herkennen, vervlogen spijt in mijn ogen te zien, ware gedachten te ontdekken.

Stilte is ook geluid: het bevindt zich in de op-en-neer snoeren die je kunt ontdekken op een beeldscherm. Groene golven. Ze waaieren, tuimelen of stijgen: als onbekenden waar je plots tegen aanbotst tijdens bepaalde onwennige gelegenheden. Stompen uit onverwachte hoeken. Mensen die in de ‘horende wereld’ leven, schijnen hun ooghoeken niet goed te gebruiken. Ik had dit kunnen zien aankomen.

"Truth is like blood underneath your fingernails", zingt Fink. Maar als ik doof zou zijn kon ik alleen lezen wat hij zegt, de dreunen van de bas op mijn borstkas incasseren. Zijn trillende stem mijn keel niet voelen dichtknijpen. Mij afvragen of een hart zo klinkt, of angst.

In al het bier dat je drinkt zitten de zinnen die je overdag weigert uit je mond te laten rollen.

Pygar

We lagen op je bed en keken Barbarella.

Het is de scène richting het einde van de film: met een overdreven groot orgel, waar nog veel meer toeters en bellen aan zitten, probeert the Concierge, een zeer lelijke man, de bloedmooie, piepjonge Barbarella (Jane Fonda) te bevredigen.

Ter informatie: Barbarella leeft in de verre toekomst en moet het heelal redden van de uiterst gemene Doctor Durand-Durand, een in 1968 zeer goed gevonden naam voor een bad guy. Die blonde überseksuele vrouw gaat dus op reis door de galaxy en ontsnapt ondanks haar geveinsde domheid telkens aan alle mannen die met haar willen wippen - iets dat overigens erg slecht verhuld wordt door middel van rare constructies en machines zoals grote orgels waar allerlei kleuren rook uit komen tot Barbarella schreeuwend tussen stoom uitblazende pijpen zit. Tussendoor duikt er telkens een witgevleugelde jongen met ontbloot bovenlijf op: Pygar. Als ik het me goed herinner redt hij haar uiteindelijk. Een engel, zonder geheugen voor wreedheid. Hoe kan het ook anders.

We lagen op je bed en keken Barbarella, zeiden soms tegen elkaar hoe achterlijk de film was. Hoe grappig. Nu zit ik in mijn kamer te schrijven en kan ik je bijna in mijn bed zien zitten met een boterham in je handen, vier uur in de nacht na het uitgaan, maanden na Barbarella. Rommelige knot op je hoofd, een verloren veeg mascara op je wang, kruimels tussen mijn lakens. Je glimlach, wat halfdronken en trage woorden, die je deftig uitspreekt. Met een aardappel in je strot, zoals je dat altijd doet wanneer de wijn, wodka en het bier door elkaar zijn geraakt. Je bent op dat moment, na vele maanden school, toneel, theater, poëzie en feestjes, wodkawoensdagen, al een aantal witgevleugelde jongens verder. Ze dropen niet af, stortten neer misschien. Al is dat ook maar iets dichterlijks. En dat maakt je heus uit, maar maakt je niet uit, want je hebt je boterham met kipfilet. Je hebt je boeken en je schrijven. Je hebt je kamer die altijd ruikt naar iets dat tussen wasmiddel en muffigheid in hangt. Je witte sigarettenmachine en de pot vol shag, die je overal mee naartoe sleept, ook naar feestjes, zodat je buiten op de gracht nog een peuk drukken kunt.

Nu ik hier in mijn kamer zit en naar mijn bed kijk, plant ik een aantal woorden onder de dekens. Zinnen waar je iets aan hebt als je niets vragen of vertellen wilt. Onzin tussen de kussens die je om kunt draaien als ik gewoon mijn bek moet houden, omdat je moe en aangeschoten bent van iedereens bijbedoelingen. En denk ik aan Pygar. Aan zijn lelijke blonde haar, geverfd, aan zijn witte vleugels en waarschijnlijk ook nog glitters, want kom, het was 1968. En aan jou. Dat er een jongen mag zijn. Of een mens of een willekeurig iets. Jij misschien, die een kogel vangt voor jezelf. Jij die opstaat en vriendelijk zwaait. Zoals hij dat ook doet. Elke keer als je de film afspeelt opnieuw.

image



dronkengenie:

Ik lees het nieuwe boek van Peter Zantingh en de zinnen zijn weer zo fijn.

dronkengenie:

Ik lees het nieuwe boek van Peter Zantingh en de zinnen zijn weer zo fijn.

komt wat komt altijd vanzelf
heeft wie vooruit loopt een voorsprong
dingt iedereen mee of alleen wie het idee heeft deel van een geheel te zijn
is een grens een kalklijn of een rij beton

maakt een etmaal een dag rond
zint het om bezit voorop te stellen
zijn daken veiliger dan een hemelgewelf
maken pacemakers ongelukkigen blij

is oud worden een ritme of een stortbui
wat raak je als je dode huid kust
gaat een stap achteruit niet omgekeerd voorwaarts
ben je, als je alleen in het donker zingt, de boom die omvalt in een verlaten bos

weegt heilig water zwaarder in onze handen
wat bewaar je als je minder vast mag houden